1 Samuel 16:7b
'Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.'
Het is 23.00 uur en ik lig tollend en draaiend in mijn bed. Naast dat ik overmatig veel groente en fruit eet, mijn boterhammen rooster, en de producten die ook in het light bestaan, light koop, zit ik nu sinds een dag of twee aan een kruidenthee van Zonnatura die de naam 'ideaal gewicht' draagt. En die onttrekt dus vocht aan je lichaam en versnelt de darmwerking, wat ervoor gezorgd heeft dat ik nu leeg en verslapt in m'n bed lig.
Steeds vaker vraag ik me af: Wat doen wij vrouwen onszelf toch aan? Natúúrlijk doen wij al die afvalpogingen voorál voor onszelf en zijn we écht niet wanhopig, maar MEN, wat is het toch altwijd weer belangrijk wat een leuke 'hij' van ons vindt. "We don't need no men," zong ik keihard met Christa. Well, the sad truth is: we do...
Elke keer als ik denk "Nu weet ik wel dat alleen wat God van mij vindt belangrijk is" en als ik denk dat mijn onzekerheid heeft plaatsgemaakt in mijn hoofd voor Gods Waarheid (wat zo rond mijn 16e/17e al gebeurd zou moeten zijn), vind ik mezelf weer scheldend op mijn gewicht met één of ander uitprobeersel van een kruidenthee of dieetgoeroe. En zovelen met mij..
Volgens mij begon dit alles op het moment dat Adam en Eva door God de tuin uitgekickt werden.
God zei tegen Eva:
‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last,
zwoegen zul je als je baart.
Je zult je man begeren,
en hij zal over je heersen.’
Je zult je man begeren. En dat hebben we gedaan! Hij zal over je heersen. En dat hebben ze gedaan!
Wat ontzettend zonde dat in elke vrouw die zondeval en de vloek daarvan zo zichtbaar is. Een afhankelijkheid die uitmondt in een sterk gevoel van tekortschieten; niet mooi/goed/dun/lief/grappig/enz genoeg zijn. Talloze verliefdheden die eindigden in afwijzing en mislukte pogingen om gezien te worden, hebben in het leven van een jonge vrouw vaak de revue gepasseerd. Of het nou ligt aan de overafhankelijkheid van de vrouw, of aan de afstandelijkheid van de man; volgens mij herkent elke vrouw de pijn die het kan doen als je nét niet leuk genoeg bent, en de druk die het kan geven om dit voor hem wel te zijn.
Ik heb zojuist de film "He's just not that into you" voor de tweede keer gezien, en besefte tijdens het kijken dat ik enorm herken wat wij vrouwen onszelf en elkaar aandoen en aanpraten. Excuses bedenken voor waarom hij niks van zich laat horen, zelf initiatief nemen 'omdat de tijden nu eenmaal veranderd zijn,' signalen zoeken die niet gegeven worden, denken dat het vast aan onszelf moet liggen, en voor we het weten hebben we weer nieuwe leugens bedacht die onze redenatie in de greep houden.
Zou deze basis-basis-basisvloek over de vrouw niet bij uitstek iets zijn waar de Waarheid van het kruis tegenover gezet kan worden? Was Jezus niet juist aan het kruis gegaan om de vloek van zonde die op de mensheid rust te doorbreken?! Maar waarom zijn er dan in 's Hemels naam toch zoveel meiden en jonge vrouwen, ook in kerken, die leven onder deze vloek? Natuurlijk, we leven op een wereld die door en door doordrenkt is met de zonde, maar het verlossende werk van Jezus is niet alleen iets voor na dit leven; het is juist ook voor nu!
Niet dat ik het op dit gebied altijd allemaal op een rijtje heb, maar ik heb het idee dat het een keuze vergt, een stap. Gaan staan in de Waarheid, gaan leven vanuit de identiteit die God je heeft gegeven. Man of geen man. Hoe verdraaid lastig ook. Want als puntje bij paaltje komt, is dát waar het allemaal om gaat: hoe God over je denkt! En God kijkt naar het hart: niet naar hoeveel je afvalt of hoe hard je je best DOET, maar naar wat je hartsgesteldheid is; wie je BENT! Die Waarheid lucht enorm op. Niet meer hoeven te knokken voor je plaatsje tussen alle andere mooie vrouwen en constant vergelijken. Gewoon gaan ontdekken wat het inhoudt dat God je waardevol en betekenisvol vindt, en je Zijn erfgenaam noemt, dochter van de allerhoogste Koning, Zíjn meisje, van zoveel waarde dat Hij het waard vond om Zijn leven ervoor te geven. En dan komt die leuke dude er echt wel; laat dat maar aan God over! Die weet als geen ander met wie je hart een goede klik kan maken en hoe liefde werkt..
I'm his girl
I'm an heir to his kingdom
I'm justified and purified in the cleansing of his blood.
Yes I'm his girl
and he's made me a princess
and he calls me beautiful and I think that's enough
I know it's enough
maandag 1 februari 2010
donderdag 18 december 2008
De liefde van een Koning
“...for the King has left His throne,
and He’s sleeping in a manger tonight”
(While you were sleeping - Casting Crowns)
Er stak een koude wind op, die avond dat ze de tuin verlieten. Achter hen sloten de gaten zich, beschermd en afgedekt door het zwaard, om nooit meer teruggevonden te worden. Als een veilig opgeborgen geheim, dat elk levend wezen deed denken aan die verschrikkelijke dag. Er was een nieuwe periode in gegaan. Dood was druppel voor druppel zich gaan mengen met de werkelijkheid tot toen toe, en met elk scheutje zwart, werd het eens zo serene wit steeds grijzer.
Ze keken vluchtig achterom, en keken toen elkaar aan met ogen vol angst. Een ijzige rilling gleed langs haar ruggengraat, en ze kneep in zijn hand. De avond die eerder zo fris ademde van een zwoele zomerdag, had plaats gemaakt voor een snerpende koude nacht. De veiligheid van de schaduw van hun Maker zelf, leek mijlen ver weg, als in een andere wereld die ooit geweest was, maar waar niks meer van te herkennen was. Schuld en veroordeling vulden haar ogen met tranen, terwijl hij zich van haar losmaakte en op zoek ging naar een plek om te slapen. Ze hadden geen woord meer gewisseld sinds eerder die dag, en diep van binnen was ze bang voor wat deze nieuwe tijd zou brengen.
De gesprekken met zijn Maker galmden na in zijn hoofd, terwijl hij boos, bang, en aangeslagen was. Dat hij zich zo kon voelen maakte hem nog banger, en hij verlangde terug naar de dagen dat zijn vrouw hem begreep, en ze als één mens leefden met hun Koning. Maar deze dag was alles anders.
‘Ik ga er naartoe’. Op het moment dat Hij die laatste woorden uitsprak, gonsde er een zwaar beladen stilte door de enorme zaal. Met een schok verstomde het gezang, en alle schepselen keken met grote ogen verschrikt in de richting van de troon. Vastberaden was Hij opgestaan, en in Zijn ogen was verscheurdheid en verdriet af te lezen. Hij dacht aan de momenten dat Hij met hen door de tuin had gewandeld, en verlangde terug naar de gesprekken die ze hadden. Het gemis van het contact, en het toekijken hoe ze zichzelf om zeep hielden, raakte Hem tot in het diepst van Zijn Wezen. Hij keek de zaal in, en bevestigde toen vastberaden zijn besluit. ‘Nu is de tijd gekomen, het is goed. De handen die Ik gemaakt heb, zullen Mij martelen. De monden die Ik gemaakt heb, zullen Me bespugen en de lippen die Ik met liefde schiep, zullen Me bespotten. De ogen waar Ik zo van hou, zullen Me afkeuren en hatend aanstaren. En toch moet Ik gaan.’ Nog steeds durfde niemand een woord te zeggen. Hij pakte de kroon van Zijn hoofd, en legde die op de troon waar Hij zojuist op zat.
Er stak een koele wind op die in de richting van het Noorden blies. De pijn was niet meer dragen, en het zweet brak haar uit. Hij trok het koppige dier voort, terwijl zijn blik afging naar zijn vrouw. Urenlang liepen ze daar al, en wat hem dreef was haar pijn. Aan de rand van het dorp stopte hij de ezel. Hij keek haar aan, en gaf haar een knikje terwijl een diepe frons bezorgd zijn voorhoofd sierde. Terwijl hij op het huisje in de verte afliep, hefte zij haar hoofd op naar de hemel boven haar. Haar ademhaling was zwaar, en de pijnscheuten werden steeds heviger. Ze keek naar de sterren die boven haar aan de heldere hemel stonden, en voor even vroeg ze zich af waar God was in deze barre nacht.
‘Het is volbracht’, riep Hij uit met Zijn laatste restje adem. Alle omstanders keken met kippenvel op hun armen naar dat kruis in het midden. Hij boog Zijn hoofd, en stierf. Er was een nieuwe tijd aangebroken. Het bloed had gevloeid; de strijd was gestreden. De mensgeworden Koning had overwonnen die middag op de heuvel. Terwijl de aarde zich hulde in diepe duisternis, brak de hemel uit in luid gejuich. Druppels rood bloed van de Koning Zelf hadden zich vermengd met de werkelijkheid die ooit wit geweest was, en de zwarte kleur van dood maakte plaats voor een stralend vuilafstotend wit, dat sprak van een nieuwe werkelijkheid. De Koning was gekomen om op te eisen wat van Hem was, en had daarvoor de hoogst mogelijke prijs betaald.
Ze zit alleen in haar kamer, en fluistert zacht hoeveel ze van Hem houdt. Hij hoort haar, Hij kijkt naar haar, en Hij komt zo dichtbij dat ze Zijn stem kan horen in haar hart…
“Maar toen de tijd gekomen was zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet opdat wij Zijn kinderen zouden worden.”
(Galaten 4:4-5)
and He’s sleeping in a manger tonight”
(While you were sleeping - Casting Crowns)
Er stak een koude wind op, die avond dat ze de tuin verlieten. Achter hen sloten de gaten zich, beschermd en afgedekt door het zwaard, om nooit meer teruggevonden te worden. Als een veilig opgeborgen geheim, dat elk levend wezen deed denken aan die verschrikkelijke dag. Er was een nieuwe periode in gegaan. Dood was druppel voor druppel zich gaan mengen met de werkelijkheid tot toen toe, en met elk scheutje zwart, werd het eens zo serene wit steeds grijzer.
Ze keken vluchtig achterom, en keken toen elkaar aan met ogen vol angst. Een ijzige rilling gleed langs haar ruggengraat, en ze kneep in zijn hand. De avond die eerder zo fris ademde van een zwoele zomerdag, had plaats gemaakt voor een snerpende koude nacht. De veiligheid van de schaduw van hun Maker zelf, leek mijlen ver weg, als in een andere wereld die ooit geweest was, maar waar niks meer van te herkennen was. Schuld en veroordeling vulden haar ogen met tranen, terwijl hij zich van haar losmaakte en op zoek ging naar een plek om te slapen. Ze hadden geen woord meer gewisseld sinds eerder die dag, en diep van binnen was ze bang voor wat deze nieuwe tijd zou brengen.
De gesprekken met zijn Maker galmden na in zijn hoofd, terwijl hij boos, bang, en aangeslagen was. Dat hij zich zo kon voelen maakte hem nog banger, en hij verlangde terug naar de dagen dat zijn vrouw hem begreep, en ze als één mens leefden met hun Koning. Maar deze dag was alles anders.
‘Ik ga er naartoe’. Op het moment dat Hij die laatste woorden uitsprak, gonsde er een zwaar beladen stilte door de enorme zaal. Met een schok verstomde het gezang, en alle schepselen keken met grote ogen verschrikt in de richting van de troon. Vastberaden was Hij opgestaan, en in Zijn ogen was verscheurdheid en verdriet af te lezen. Hij dacht aan de momenten dat Hij met hen door de tuin had gewandeld, en verlangde terug naar de gesprekken die ze hadden. Het gemis van het contact, en het toekijken hoe ze zichzelf om zeep hielden, raakte Hem tot in het diepst van Zijn Wezen. Hij keek de zaal in, en bevestigde toen vastberaden zijn besluit. ‘Nu is de tijd gekomen, het is goed. De handen die Ik gemaakt heb, zullen Mij martelen. De monden die Ik gemaakt heb, zullen Me bespugen en de lippen die Ik met liefde schiep, zullen Me bespotten. De ogen waar Ik zo van hou, zullen Me afkeuren en hatend aanstaren. En toch moet Ik gaan.’ Nog steeds durfde niemand een woord te zeggen. Hij pakte de kroon van Zijn hoofd, en legde die op de troon waar Hij zojuist op zat.
Er stak een koele wind op die in de richting van het Noorden blies. De pijn was niet meer dragen, en het zweet brak haar uit. Hij trok het koppige dier voort, terwijl zijn blik afging naar zijn vrouw. Urenlang liepen ze daar al, en wat hem dreef was haar pijn. Aan de rand van het dorp stopte hij de ezel. Hij keek haar aan, en gaf haar een knikje terwijl een diepe frons bezorgd zijn voorhoofd sierde. Terwijl hij op het huisje in de verte afliep, hefte zij haar hoofd op naar de hemel boven haar. Haar ademhaling was zwaar, en de pijnscheuten werden steeds heviger. Ze keek naar de sterren die boven haar aan de heldere hemel stonden, en voor even vroeg ze zich af waar God was in deze barre nacht.
‘Het is volbracht’, riep Hij uit met Zijn laatste restje adem. Alle omstanders keken met kippenvel op hun armen naar dat kruis in het midden. Hij boog Zijn hoofd, en stierf. Er was een nieuwe tijd aangebroken. Het bloed had gevloeid; de strijd was gestreden. De mensgeworden Koning had overwonnen die middag op de heuvel. Terwijl de aarde zich hulde in diepe duisternis, brak de hemel uit in luid gejuich. Druppels rood bloed van de Koning Zelf hadden zich vermengd met de werkelijkheid die ooit wit geweest was, en de zwarte kleur van dood maakte plaats voor een stralend vuilafstotend wit, dat sprak van een nieuwe werkelijkheid. De Koning was gekomen om op te eisen wat van Hem was, en had daarvoor de hoogst mogelijke prijs betaald.
Ze zit alleen in haar kamer, en fluistert zacht hoeveel ze van Hem houdt. Hij hoort haar, Hij kijkt naar haar, en Hij komt zo dichtbij dat ze Zijn stem kan horen in haar hart…
“Maar toen de tijd gekomen was zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, maar gezonden om ons vrij te kopen van de wet opdat wij Zijn kinderen zouden worden.”
(Galaten 4:4-5)
zondag 7 december 2008
Gods stem
De laatste tijd hoor ik het verlangen om écht met God te communiceren, steeds vaker terug bij mensen om me heen.
God is een sprekende God. Hij sprak toen Hij de aarde schiep, en alles wat daar omheen is. Hij is een God van relaties, en wil in contact zijn met mensen. Maar als Hij spreekt, waarom lijkt het dan soms zo onverstaanbaar en vaag? Misschien moet je wel heel extra dicht bij Gods hart zijn om Zijn stem volledig te kunnen verstaan, en is dat niet voor iedereen weggelegd?
Ik hoorde pas een audiofragmentje waarin Jason Upton hier iets over zei naar aanleiding van zijn nummer 'One step away'. Een vriend sprak hem aan, en ik heb hieronder geprobeerd op te schrijven wat hij zei in dat audiofragmentje:
"He challenged me one day. He said: 'Jason, what if heaven isn't some far up place (..) What if it's just one step away? What if it's just a dimension away, Jason? What if it isn't distant at all? What if it is right here and right now? When I say that to you Jason, don't the words of Jesus make more sense? Doesn't the life of Jesus make more sense? Don't the gospels make more sense to you? If it isn’t some distant place but it’s right here, it’s a dimension that we just have not seen yet.’ I wrote this song ‘One step away’, and I went home praying over that. And I just were thinking, wow! I wrote this second verse:
A distant sound is hard to hear, even a sound as loud as thunder.
A distant heart is full of fear, a distant soul has lost its wonder.
Sometimes it’s hard to hear Your voice, my God.
Is the reason that You’re whispering because
You’re one step away?
The thought came to me, you know, we either believe that His voice is distant because it’s really a raging thunderous voice that’s just a long way away. Or we believe that His voice is small and still and small, not because it’s far away at all, but because He doesn’t have to yell. Because He’s right next to your ear.
There’s an innumerable company of angels, a general assembly and church of the firstborn, which are registered in heaven, and there’s God the Judge of all. He’s there. And the spirits of just men made perfect, they’re there. Jesus the mediator of the new covenant, He’s there. And the blood of sprinkling, that speaks better things than that of Abel, that’s there. (*)
So when we worship, we worship in spirit and we worship in truth. We use our faith to access reality. Not something that’s fake, something that’s real. I wake up in the morning, hanging out with my kids and I’m saying: 'Lord I want to access reality today. I want to be present, like You’re present to me. I want to be present to You. I know that You’re waiting a lot more for us than we’ve ever waited for You. I know that all of heaven is waiting for someone to open their ears. I know that You are not distant, because it wouldn’t make logical sense!' Why would it make any sense that He gave His son so that we could have relationship with Him, and then just be distant?
He’s not distant from us, He’s close.”
De gedachte dat Gods stem soms moeilijk te verstaan is, omdat Hij zo dichtbij is dat Hij fluistert, vind ik echt mooi. God is een bovennatuurlijke God; Hij is niet te vatten in onze menselijke redenaties van hoe Hij spreken moet. Hij is in een andere dimensie, en spreekt tot ons van hart tot hart. Daar hoef je niet heel geestelijk voor ontwikkeld te zijn, of zoiets, alleen maar je geestelijke ogen en oren wijd voor open gooien en gewoon luisteren naar Zijn stem. Jezus zegt dat Hij de Herder is, en dat de schapen Zijn stem kennen. De enige manier om Zijn stem te leren kennen, is er gewoon vaak genoeg naar luisteren dat je vanzelf ontdekt 'Hé, dit is God!'... Daarbij spreekt God niet alleen van binnen, maar zijn er nog duizenden andere manier waarop Hij spreken kan. Door een lied, een tekst, een plek, een droom, een woord, een gevoel, en ga zo maar door. God is een creatieve God; zou Hij dan niet creatief genoeg zijn om een heleboel manieren te bedenken die ons hart raken?!
(*) "U hebt niet, zoals het volk destijds, voor een laaiend en allesverzengend vuur gestaan, of in dreigende duisternis en woeste wind, noch te midden van bazuingeschal en stemgedonder. Het volk dat dit alles onderging smeekte dan ook dat er geen woord meer tot hen zou worden gesproken, omdat wat hun werd opgedragen ondraaglijk was: ‘Zelfs een dier dat de berg aanraakt, moet gestenigd worden!’ Zo schrikbarend was de verschijning dat Mozes uitriep: ‘Ik sidder van angst!’
Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn, voor de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en voor het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel."
(Hebreeën 12:18-24)
God is een sprekende God. Hij sprak toen Hij de aarde schiep, en alles wat daar omheen is. Hij is een God van relaties, en wil in contact zijn met mensen. Maar als Hij spreekt, waarom lijkt het dan soms zo onverstaanbaar en vaag? Misschien moet je wel heel extra dicht bij Gods hart zijn om Zijn stem volledig te kunnen verstaan, en is dat niet voor iedereen weggelegd?
Ik hoorde pas een audiofragmentje waarin Jason Upton hier iets over zei naar aanleiding van zijn nummer 'One step away'. Een vriend sprak hem aan, en ik heb hieronder geprobeerd op te schrijven wat hij zei in dat audiofragmentje:
"He challenged me one day. He said: 'Jason, what if heaven isn't some far up place (..) What if it's just one step away? What if it's just a dimension away, Jason? What if it isn't distant at all? What if it is right here and right now? When I say that to you Jason, don't the words of Jesus make more sense? Doesn't the life of Jesus make more sense? Don't the gospels make more sense to you? If it isn’t some distant place but it’s right here, it’s a dimension that we just have not seen yet.’ I wrote this song ‘One step away’, and I went home praying over that. And I just were thinking, wow! I wrote this second verse:
A distant sound is hard to hear, even a sound as loud as thunder.
A distant heart is full of fear, a distant soul has lost its wonder.
Sometimes it’s hard to hear Your voice, my God.
Is the reason that You’re whispering because
You’re one step away?
The thought came to me, you know, we either believe that His voice is distant because it’s really a raging thunderous voice that’s just a long way away. Or we believe that His voice is small and still and small, not because it’s far away at all, but because He doesn’t have to yell. Because He’s right next to your ear.
There’s an innumerable company of angels, a general assembly and church of the firstborn, which are registered in heaven, and there’s God the Judge of all. He’s there. And the spirits of just men made perfect, they’re there. Jesus the mediator of the new covenant, He’s there. And the blood of sprinkling, that speaks better things than that of Abel, that’s there. (*)
So when we worship, we worship in spirit and we worship in truth. We use our faith to access reality. Not something that’s fake, something that’s real. I wake up in the morning, hanging out with my kids and I’m saying: 'Lord I want to access reality today. I want to be present, like You’re present to me. I want to be present to You. I know that You’re waiting a lot more for us than we’ve ever waited for You. I know that all of heaven is waiting for someone to open their ears. I know that You are not distant, because it wouldn’t make logical sense!' Why would it make any sense that He gave His son so that we could have relationship with Him, and then just be distant?
He’s not distant from us, He’s close.”
De gedachte dat Gods stem soms moeilijk te verstaan is, omdat Hij zo dichtbij is dat Hij fluistert, vind ik echt mooi. God is een bovennatuurlijke God; Hij is niet te vatten in onze menselijke redenaties van hoe Hij spreken moet. Hij is in een andere dimensie, en spreekt tot ons van hart tot hart. Daar hoef je niet heel geestelijk voor ontwikkeld te zijn, of zoiets, alleen maar je geestelijke ogen en oren wijd voor open gooien en gewoon luisteren naar Zijn stem. Jezus zegt dat Hij de Herder is, en dat de schapen Zijn stem kennen. De enige manier om Zijn stem te leren kennen, is er gewoon vaak genoeg naar luisteren dat je vanzelf ontdekt 'Hé, dit is God!'... Daarbij spreekt God niet alleen van binnen, maar zijn er nog duizenden andere manier waarop Hij spreken kan. Door een lied, een tekst, een plek, een droom, een woord, een gevoel, en ga zo maar door. God is een creatieve God; zou Hij dan niet creatief genoeg zijn om een heleboel manieren te bedenken die ons hart raken?!
(*) "U hebt niet, zoals het volk destijds, voor een laaiend en allesverzengend vuur gestaan, of in dreigende duisternis en woeste wind, noch te midden van bazuingeschal en stemgedonder. Het volk dat dit alles onderging smeekte dan ook dat er geen woord meer tot hen zou worden gesproken, omdat wat hun werd opgedragen ondraaglijk was: ‘Zelfs een dier dat de berg aanraakt, moet gestenigd worden!’ Zo schrikbarend was de verschijning dat Mozes uitriep: ‘Ik sidder van angst!’
Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn, voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid gekomen zijn, voor de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en voor het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel."
(Hebreeën 12:18-24)
woensdag 22 oktober 2008
Wauw!
Ik zat net op de fiets en begon zonder na te denken ineens een heel oud lied te zingen. Ineens landde wat ik eigenlijk zong; supervet! Dat is mijn verlangen! Dus prik door de oudbolligheid heen, en geniet:
Laat m’in U blijven, groeien, bloeien
O Heiland, Die de wijnstok zijt.
Uw kracht moet in mij overvloeien,
Of ‘k ben een wis verderf gewijd.
Doorstroom, beziel en zegen mij,
Opdat ik waarlijk vruchtbaar zij.
Ik kan mijzelf geen wasdom geven;
Niets kan ik zonder U, o Heer.
In Uw gemeenschap kiemt er leven
En levensvolheid meer en meer.
Uw Geest moet in mij uitgestort;
De rank, die U ontvalt, verdort.
Neen, Heer’ ik wil van U niet scheiden,
‘k blijf d’ Uw’ altijd, blijf Gij de mijn’.
Uw liefde moet alom mij leiden,
Uw leven moet mijn leven zijn,
Uw licht moet schijnen in mijn huis
Bij kruis naar kracht en kracht naar kruis.
Dan blijft mijn ziel voor U gewonnen,
Dan wint mijn ziel door U in kracht.
Het werk in need’righeid begonnen,
Wordt dan in heerlijkheid volbracht.
Wat in de winds’len sliep, ontbot
En komt in ’t licht en rijpt voor God
Laat m’in U blijven, groeien, bloeien
O Heiland, Die de wijnstok zijt.
Uw kracht moet in mij overvloeien,
Of ‘k ben een wis verderf gewijd.
Doorstroom, beziel en zegen mij,
Opdat ik waarlijk vruchtbaar zij.
Ik kan mijzelf geen wasdom geven;
Niets kan ik zonder U, o Heer.
In Uw gemeenschap kiemt er leven
En levensvolheid meer en meer.
Uw Geest moet in mij uitgestort;
De rank, die U ontvalt, verdort.
Neen, Heer’ ik wil van U niet scheiden,
‘k blijf d’ Uw’ altijd, blijf Gij de mijn’.
Uw liefde moet alom mij leiden,
Uw leven moet mijn leven zijn,
Uw licht moet schijnen in mijn huis
Bij kruis naar kracht en kracht naar kruis.
Dan blijft mijn ziel voor U gewonnen,
Dan wint mijn ziel door U in kracht.
Het werk in need’righeid begonnen,
Wordt dan in heerlijkheid volbracht.
Wat in de winds’len sliep, ontbot
En komt in ’t licht en rijpt voor God
zondag 21 september 2008
The mask of Zorro
Ergens in mij woont een klein meisje. Femke heet ze, net als ik. Hoe schizofreen dit ook mag klinken, dat is het niet. Ik ben er zelfs van overtuigd dat iedereen diep van binnen zo'n meisje of jongetje heeft wonen.
Ze is kinderlijk onschuldig, lief, ongekrenkt, naïef, en komt heel af en toe even een kijkje nemen in het leven dat ik nu leef.
Afgelopen zaterdag was weer even zo'n moment. Ik liep door de stad, en merkte dat het druk was. Ik was op weg naar een pinautomaat, en toen ik me eindelijk door massa's mensen had heengewurmd, kwam ik er achter dat die massa de rij was... Na zo'n 5 minuten te hebben gewacht, stopte ik eindelijk mijn pas in de gleuf, en trok ik niet veel later wat geld uit het bewuste automaat. Ik draaide me om, stopte het geld in mijn portemonee en keek nog één keer om of ik niks was vergeten (stomme gewoonte, maar met mijn chaotische karakter kan ik die risico's niet nemen). Toen ik mijn portemonee weer netjes een plekje in mijn tas had gegeven, keek ik op. Er kwam een heel leger doedelzakkers aan. Geamuseerd stond ik te kijken, maar toen ineens schrok ik lichtelijk. Om de hoek kwamen drie metershoge gemaskerde wezens op stelten, die vogelachtige dieren moesten voorstellen. Het theaterdier in mij dat dat wel waarderen kon, ging een felle discussie aan met het kleine meisje in mij dat het liefste weg wilde rennen. In een seconde flitsten er allerlei herinneringen door mij heen. Clowns, zwarte pieten, altijd als dat soort gemaskerde 'vrienden' ten tonele verschenen, wilde het meisje in mij zich het liefst verstoppen.
Het getouwtrek in mij duurde een paar minuten, en ondertussen waren de wezens voorbijgetrokken en kwam er allerlei onderaards gedierte met doodshoofden en zeisen op reusachtige voertuigen de hoek om. Toen de geur van olie en rook mijn neusgaten binnendrong en één of ander beschilderd gedrocht mij aankeek vanaf zijn dood-en-verderf-'praal'wagen, werd het me te veel. Het kleine meisje in mij won, en binnen een paar passen stond ik in de Hema na te trillen op mijn benen. Eenmaal tot mijzelf gekomen, moest ik er wel om lachen. Zo onopvallend mogelijk deed ik me voor als zijnde heel geinteresseerd in de nieuwste artikelen van de Hema, en in mijn ooghoek hield ik de glazen deur in de gaten. Toen de hele stoet voorbij leek te zijn getrokken en de kust 'veilig' was, ben ik de Hema maar weer uitgekropen.
Thuis heb ik nog eens na zitten denken over mij primaire, pure reactie om de benen te nemen. Was het gegrond? Dat lijkt me niet. Waar kwam het dan vandaan? Ik denk dat ik gewoon niet hou van maskers. Heb ik nooit gedaan, trouwens. Zo lang ik nog niet wist dat Sint en Piet nepperds waren, vond ik het prachtig allemaal, maar vanaf het moment dat me dat duidelijk was, hoefde ik echt niet meer zo nodig naar die optochten. Al die belachelijke volwassenen met zwarte schminck die een handje of en tekening van je willen. Wie weet wat er onder al die entourage zit? Nee, zelfs het kind in mij kon gemaskerde 'vrienden' niet waarderen.
En zo'n kinderlijke reactie is dat niet eens, trouwens. Ik vind het pas echt kinderlijk en onschuldig als je blindelings kan vertrouwen dat de gemaskerde/beschilderde vreemdeling tegenover je die claimt je beste vriend te zijn, puur omdat hij zich hult in clownspak, pietenpak of wat dan ook, ook daadwerkelijk te vertrouwen is.. Als je alle schminck en kostumering weghaalt, zou je die wildvreemde toch ook geen handje geven, of op schoot bij hem kruipen?!
Ik denk dat ik gewoon niet van maskers hou. In de breedste zin van het woord. Zowel tastbare maskers als onzichtbare innerlijke maskers zijn aan mij niet besteed. Ik weet graag wie ik voor me heb. Echtheid raakt mij, nepheid doet me niks.
Maar waarom dan toch die voorliefde voor theater? Theater is in feite niets meer dan mensen in de leugen laten geloven dat de schijn die je met z'n allen optrekt, waar is.. Ik weet het antwoord eigenlijk niet precies. Ik ben wel van mening dat iemand zelfs 'echt' kan zijn in de rol van een ander. Hoewel dat nog steeds niet geldt voor clowns, zwarte pieten en meer van dat soort figuren. Ik geloof ze gewoon niet, ik prik er zo doorheen, en het kost me echt moeite om te proberen ze wél te geloven. Niet alleen omdat ze die vierde wand met liefde doorbreken, ook gewoon omdat ze met vooropgezette vertoningen als optochten alle realiteit voor mij eruit halen. Clowns hebben trouwens sowieso mijn geloof verloren; die slaan nergens op en zijn mijns inziens puur bedoeld om mensen even een momentje 'vrij' te geven van hun éigen leven. Maar het geldt bijvoorbeeld voor die Disneyfiguren met die gigantische verhoudingen die door Disneyland paraderen. Hoe moet je dat geloven?! Donald Duck hoort thuis op een beeldscherm. Twee-meter-hoge-nepvogels hebben in Ede niks te zoeken. De Postbankleeuw moet van de tv. Zwarte Piet kan een pedofiel zijn. En clowns zijn eigenlijk brute moordenaars die niet herkend willen worden. Lang leve het masker.
Als ik zo zit te denken, kom ik wat conservatief op mijzelf over. Het idee van 'theater hoort thuis op een podium in een zaal, mét vierde wand'. Daar geloof ik maskers wel, daar kan het me wel raken. Ik zal nooit vergeten hoe ik mezelf betrapte dat ik met open mond gefascineerd zat te kijken naar The Lion King in het Fortis Circustheater in Scheveningen. Dat deed wél iets met me. Daar zag ik geen creepy mensen die iets te verbergen hadden, maar een verhaal dat me, ondanks dat ik het al door en door kende, meesleepte van begin tot het eind.
Maskers, het blijft een raar fenomeen. Of ik er ooit van dichterbij dan een gepaste afstand van 50 meter van kan genieten, blijft de vraag. Maarja, zo heeft ieder zijn ding...
Oja, en Zorro kunnen het meisje in mij en ik overigens wel waarderen. Ik denk dat het toch scheelt als je weet dat er een knappe gespierde lichtgetintte held onder dat masker zit :)
Ze is kinderlijk onschuldig, lief, ongekrenkt, naïef, en komt heel af en toe even een kijkje nemen in het leven dat ik nu leef.
Afgelopen zaterdag was weer even zo'n moment. Ik liep door de stad, en merkte dat het druk was. Ik was op weg naar een pinautomaat, en toen ik me eindelijk door massa's mensen had heengewurmd, kwam ik er achter dat die massa de rij was... Na zo'n 5 minuten te hebben gewacht, stopte ik eindelijk mijn pas in de gleuf, en trok ik niet veel later wat geld uit het bewuste automaat. Ik draaide me om, stopte het geld in mijn portemonee en keek nog één keer om of ik niks was vergeten (stomme gewoonte, maar met mijn chaotische karakter kan ik die risico's niet nemen). Toen ik mijn portemonee weer netjes een plekje in mijn tas had gegeven, keek ik op. Er kwam een heel leger doedelzakkers aan. Geamuseerd stond ik te kijken, maar toen ineens schrok ik lichtelijk. Om de hoek kwamen drie metershoge gemaskerde wezens op stelten, die vogelachtige dieren moesten voorstellen. Het theaterdier in mij dat dat wel waarderen kon, ging een felle discussie aan met het kleine meisje in mij dat het liefste weg wilde rennen. In een seconde flitsten er allerlei herinneringen door mij heen. Clowns, zwarte pieten, altijd als dat soort gemaskerde 'vrienden' ten tonele verschenen, wilde het meisje in mij zich het liefst verstoppen.
Het getouwtrek in mij duurde een paar minuten, en ondertussen waren de wezens voorbijgetrokken en kwam er allerlei onderaards gedierte met doodshoofden en zeisen op reusachtige voertuigen de hoek om. Toen de geur van olie en rook mijn neusgaten binnendrong en één of ander beschilderd gedrocht mij aankeek vanaf zijn dood-en-verderf-'praal'wagen, werd het me te veel. Het kleine meisje in mij won, en binnen een paar passen stond ik in de Hema na te trillen op mijn benen. Eenmaal tot mijzelf gekomen, moest ik er wel om lachen. Zo onopvallend mogelijk deed ik me voor als zijnde heel geinteresseerd in de nieuwste artikelen van de Hema, en in mijn ooghoek hield ik de glazen deur in de gaten. Toen de hele stoet voorbij leek te zijn getrokken en de kust 'veilig' was, ben ik de Hema maar weer uitgekropen.
Thuis heb ik nog eens na zitten denken over mij primaire, pure reactie om de benen te nemen. Was het gegrond? Dat lijkt me niet. Waar kwam het dan vandaan? Ik denk dat ik gewoon niet hou van maskers. Heb ik nooit gedaan, trouwens. Zo lang ik nog niet wist dat Sint en Piet nepperds waren, vond ik het prachtig allemaal, maar vanaf het moment dat me dat duidelijk was, hoefde ik echt niet meer zo nodig naar die optochten. Al die belachelijke volwassenen met zwarte schminck die een handje of en tekening van je willen. Wie weet wat er onder al die entourage zit? Nee, zelfs het kind in mij kon gemaskerde 'vrienden' niet waarderen.
En zo'n kinderlijke reactie is dat niet eens, trouwens. Ik vind het pas echt kinderlijk en onschuldig als je blindelings kan vertrouwen dat de gemaskerde/beschilderde vreemdeling tegenover je die claimt je beste vriend te zijn, puur omdat hij zich hult in clownspak, pietenpak of wat dan ook, ook daadwerkelijk te vertrouwen is.. Als je alle schminck en kostumering weghaalt, zou je die wildvreemde toch ook geen handje geven, of op schoot bij hem kruipen?!
Ik denk dat ik gewoon niet van maskers hou. In de breedste zin van het woord. Zowel tastbare maskers als onzichtbare innerlijke maskers zijn aan mij niet besteed. Ik weet graag wie ik voor me heb. Echtheid raakt mij, nepheid doet me niks.
Maar waarom dan toch die voorliefde voor theater? Theater is in feite niets meer dan mensen in de leugen laten geloven dat de schijn die je met z'n allen optrekt, waar is.. Ik weet het antwoord eigenlijk niet precies. Ik ben wel van mening dat iemand zelfs 'echt' kan zijn in de rol van een ander. Hoewel dat nog steeds niet geldt voor clowns, zwarte pieten en meer van dat soort figuren. Ik geloof ze gewoon niet, ik prik er zo doorheen, en het kost me echt moeite om te proberen ze wél te geloven. Niet alleen omdat ze die vierde wand met liefde doorbreken, ook gewoon omdat ze met vooropgezette vertoningen als optochten alle realiteit voor mij eruit halen. Clowns hebben trouwens sowieso mijn geloof verloren; die slaan nergens op en zijn mijns inziens puur bedoeld om mensen even een momentje 'vrij' te geven van hun éigen leven. Maar het geldt bijvoorbeeld voor die Disneyfiguren met die gigantische verhoudingen die door Disneyland paraderen. Hoe moet je dat geloven?! Donald Duck hoort thuis op een beeldscherm. Twee-meter-hoge-nepvogels hebben in Ede niks te zoeken. De Postbankleeuw moet van de tv. Zwarte Piet kan een pedofiel zijn. En clowns zijn eigenlijk brute moordenaars die niet herkend willen worden. Lang leve het masker.
Als ik zo zit te denken, kom ik wat conservatief op mijzelf over. Het idee van 'theater hoort thuis op een podium in een zaal, mét vierde wand'. Daar geloof ik maskers wel, daar kan het me wel raken. Ik zal nooit vergeten hoe ik mezelf betrapte dat ik met open mond gefascineerd zat te kijken naar The Lion King in het Fortis Circustheater in Scheveningen. Dat deed wél iets met me. Daar zag ik geen creepy mensen die iets te verbergen hadden, maar een verhaal dat me, ondanks dat ik het al door en door kende, meesleepte van begin tot het eind.
Maskers, het blijft een raar fenomeen. Of ik er ooit van dichterbij dan een gepaste afstand van 50 meter van kan genieten, blijft de vraag. Maarja, zo heeft ieder zijn ding...
Oja, en Zorro kunnen het meisje in mij en ik overigens wel waarderen. Ik denk dat het toch scheelt als je weet dat er een knappe gespierde lichtgetintte held onder dat masker zit :)
donderdag 18 september 2008
Late night thoughts
I don't have the power
I don't even have a clue
I don't know all the answers
I don't even know a few
Ik snap zo weinig van het leven. Van liefde. Van dromen. Van levensplannen en levenspartners. Ik begrijp zo veel niet.
Er is een soort spanningsveld tussen onze menselijke plannen en Gods interventie. Zelfs mensen die niet méér doen met God dan alleen alle ellende in de wereld op Hem afschuiven, voelen dat spanningsveld. Want in hoeverre is de wereld waar wij in leven gevolg van hetgeen wij mensen zelf voor elkaar hebben gebokst en in hoeverre is het God die een plan en een weg voor ons leven heeft? En als God zo'n plan al heeft, hoe zeker is het dan dat dat plan tot uitvoering gebracht gaat worden?
Ik sprak pas met iemand die de tekst aanhaalde in Spreuken 16, waarin staat: 'Een mens stippelt zijn weg uit, de Heer bepaalt de richting die hij gaat'. Dat is al heel wat, om te kunnen zeggen dat wij zelf onze plannen maken, maar dat God degene is die ons met onze neus in een bepaalde richting zet. Spreuken 20 grijpt het nog radicaler. In vers 24 staat: 'De weg van een mens wordt bepaald door de Heer, wie weet zelf welke richting hij gaat?' Dat brengt mij terug bij het maïsveld uit mijn vorige blog. Het is volgens dit vers niet alleen zo dat wij mensen zelf onze weg uitstippelen, maar God bepaalt uiteindelijk die weg, en dat houdt meer in dan alleen de richting. De richting zou zeggen dat er vele wegen zijn om naar Rome te komen, en dat het er niet direct toe doet welke je neemt, mits je maar de goede richting uit gaat. Dat God de weg van de mens bepaalt, zegt dat intense blijdschap en diep verdriet dingen kunnen zijn waar je door God doorheen geleidt wordt. En dat is wel even wat. De tekst plakt er overigens retorisch en lichtelijk cynisch achteraan: 'Wie zijn wij wel niet dat we denken dat we weten wat de beste richting is?!' We zijn ook maar mensen die dolen door een maïsveld, niet wetend waar we uit moeten komen en hoe we op dat punt moeten komen!
Maar hoe werkt zoiets praktisch? Wat zegt het dat God de weg bepaalt? Maakt dat onze vleugels lam of helpt het ons te kunnen vliegen? Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook niet goed weet hoe dat concreet uitwerkt. Het gewenste antwoord zou natuurlijk zijn dat die Goddelijke interventie ervoor zorgt dat wij een beter leven hebben etc, maar ik geloof aan de andere kant ook dat God onze eigen wil en eigen keus respecteert (anders had Hij die wel weg kunnen laten). Voor zover als wij mensen werkelijk in staat zijn om te bepalen wat we willen en kiezen, zal God als een echte gentleman pas naderen als wij tot Hem naderen. Met het risico geen kant uit te kunnen met de liefde die Hij mensen wil geven. Daarmee denk ik dus dat wij inderdaad (daar heb je toch dat gewenste antwoord weer) een beter leven hebben als wij God de ruimte geven om er iets mee te doen. Vanuit het doolhof dat dit leven soms kan zijn, is een 'beetje' richting van God ook niet verkeerd. En als je midden op een zandvlakte staat met aan de horizon niks dan zand, is het ook juist ontzettend fijn als de weg bepaald wordt. En als je rustig wandelt over je gelijkvloerse levenspaadje, is het juist goed om Iemand te hebben die naast je loopt en je vertelt hoe je in dit leven tot je bestemming komt, en je duidelijk maakt dat je überhaupt een bestemming hebt.
Goddelijke interventie klinkt voor ons, groot uitgevallen kleuters, als iets vreselijks ('zelluf doen'), terwijl het helemaal zo gek nog niet is. Want wie zijn wij wel niet om te denken dat we zelf weten hoe dit leven geleefd hoort te worden? Snappen wij als het erop aan komt eigenlijk ook niet niks van alles om ons heen?! Hoe mooi onze plannen ook zijn, het kan wel eens zo zijn dat God iets in gedachte heeft wat nóg mooier is, ook al staat het lijnrecht op datgene dat wij gedroomd of verlangd hadden. En dan komt een kruispunt, een T-splitsing. Vervolg je je eigen weg zoals je het van tevoren allemaal zo leuk bedacht had, of richt je je ogen op je Vader die nog veel beter weet dan jij hoe het allemaal moet?!
Hij weet de bestemming. Hij weet de route om daar te komen. Hij weet de richting waarin ik uit moet gaan. Ook al snap ik de ballen niet van zoveel om me heen, Hij weet het wel. Ook al kunnen mijn dromen niet hand in hand met hetgeen Hij voor ogen heeft, Hij weet het beter. En dat maakt mijn vleugels lam, inderdaad, maar of dat een slecht ding is.. Het maakt dat ik steeds minder van mijzelf word, en steeds meer van Hem. Wat een opluchting is dat! Ik hóef het niet allemaal te weten, ik hóef het niet allemaal te kunnen, ik mág fout zitten met mijn dromen en mijn plannen, en ik mag mijn ogen richten op de God die het wel allemaal weet. Pfew.
I don't know what to do
But my eyes are on You
I don't even have a clue
I don't know all the answers
I don't even know a few
Ik snap zo weinig van het leven. Van liefde. Van dromen. Van levensplannen en levenspartners. Ik begrijp zo veel niet.
Er is een soort spanningsveld tussen onze menselijke plannen en Gods interventie. Zelfs mensen die niet méér doen met God dan alleen alle ellende in de wereld op Hem afschuiven, voelen dat spanningsveld. Want in hoeverre is de wereld waar wij in leven gevolg van hetgeen wij mensen zelf voor elkaar hebben gebokst en in hoeverre is het God die een plan en een weg voor ons leven heeft? En als God zo'n plan al heeft, hoe zeker is het dan dat dat plan tot uitvoering gebracht gaat worden?
Ik sprak pas met iemand die de tekst aanhaalde in Spreuken 16, waarin staat: 'Een mens stippelt zijn weg uit, de Heer bepaalt de richting die hij gaat'. Dat is al heel wat, om te kunnen zeggen dat wij zelf onze plannen maken, maar dat God degene is die ons met onze neus in een bepaalde richting zet. Spreuken 20 grijpt het nog radicaler. In vers 24 staat: 'De weg van een mens wordt bepaald door de Heer, wie weet zelf welke richting hij gaat?' Dat brengt mij terug bij het maïsveld uit mijn vorige blog. Het is volgens dit vers niet alleen zo dat wij mensen zelf onze weg uitstippelen, maar God bepaalt uiteindelijk die weg, en dat houdt meer in dan alleen de richting. De richting zou zeggen dat er vele wegen zijn om naar Rome te komen, en dat het er niet direct toe doet welke je neemt, mits je maar de goede richting uit gaat. Dat God de weg van de mens bepaalt, zegt dat intense blijdschap en diep verdriet dingen kunnen zijn waar je door God doorheen geleidt wordt. En dat is wel even wat. De tekst plakt er overigens retorisch en lichtelijk cynisch achteraan: 'Wie zijn wij wel niet dat we denken dat we weten wat de beste richting is?!' We zijn ook maar mensen die dolen door een maïsveld, niet wetend waar we uit moeten komen en hoe we op dat punt moeten komen!
Maar hoe werkt zoiets praktisch? Wat zegt het dat God de weg bepaalt? Maakt dat onze vleugels lam of helpt het ons te kunnen vliegen? Ik moet eerlijk bekennen dat ik ook niet goed weet hoe dat concreet uitwerkt. Het gewenste antwoord zou natuurlijk zijn dat die Goddelijke interventie ervoor zorgt dat wij een beter leven hebben etc, maar ik geloof aan de andere kant ook dat God onze eigen wil en eigen keus respecteert (anders had Hij die wel weg kunnen laten). Voor zover als wij mensen werkelijk in staat zijn om te bepalen wat we willen en kiezen, zal God als een echte gentleman pas naderen als wij tot Hem naderen. Met het risico geen kant uit te kunnen met de liefde die Hij mensen wil geven. Daarmee denk ik dus dat wij inderdaad (daar heb je toch dat gewenste antwoord weer) een beter leven hebben als wij God de ruimte geven om er iets mee te doen. Vanuit het doolhof dat dit leven soms kan zijn, is een 'beetje' richting van God ook niet verkeerd. En als je midden op een zandvlakte staat met aan de horizon niks dan zand, is het ook juist ontzettend fijn als de weg bepaald wordt. En als je rustig wandelt over je gelijkvloerse levenspaadje, is het juist goed om Iemand te hebben die naast je loopt en je vertelt hoe je in dit leven tot je bestemming komt, en je duidelijk maakt dat je überhaupt een bestemming hebt.
Goddelijke interventie klinkt voor ons, groot uitgevallen kleuters, als iets vreselijks ('zelluf doen'), terwijl het helemaal zo gek nog niet is. Want wie zijn wij wel niet om te denken dat we zelf weten hoe dit leven geleefd hoort te worden? Snappen wij als het erop aan komt eigenlijk ook niet niks van alles om ons heen?! Hoe mooi onze plannen ook zijn, het kan wel eens zo zijn dat God iets in gedachte heeft wat nóg mooier is, ook al staat het lijnrecht op datgene dat wij gedroomd of verlangd hadden. En dan komt een kruispunt, een T-splitsing. Vervolg je je eigen weg zoals je het van tevoren allemaal zo leuk bedacht had, of richt je je ogen op je Vader die nog veel beter weet dan jij hoe het allemaal moet?!
Hij weet de bestemming. Hij weet de route om daar te komen. Hij weet de richting waarin ik uit moet gaan. Ook al snap ik de ballen niet van zoveel om me heen, Hij weet het wel. Ook al kunnen mijn dromen niet hand in hand met hetgeen Hij voor ogen heeft, Hij weet het beter. En dat maakt mijn vleugels lam, inderdaad, maar of dat een slecht ding is.. Het maakt dat ik steeds minder van mijzelf word, en steeds meer van Hem. Wat een opluchting is dat! Ik hóef het niet allemaal te weten, ik hóef het niet allemaal te kunnen, ik mág fout zitten met mijn dromen en mijn plannen, en ik mag mijn ogen richten op de God die het wel allemaal weet. Pfew.
I don't know what to do
But my eyes are on You
vrijdag 22 augustus 2008
Life's like a cornfield
Er zit aarde in mijn haar. Mijn kuiten zitten onder de modderspetters. Onder mijn voeten voel ik grote blaren ontstaan. Ik recht mijn rug en besluit door te lopen. Reusachtige maïskolven doemen op voor mijn ogen. Ik duw ze aan de kant. Nog meer maïskolven. Weer stop ik met lopen. Waar moet ik nu heen? Hoe lang loop ik hier nu al? Ik kijk omhoog. De zon hangt laag en brandt in mijn nek. Hoog boven het immense maïsveld cirkelen wat roofvogels. Behalve het geluid van mijn voeten die wat maïsstengels vertrappen is het doodstil om me heen. In mijn ooghoek zie ik de uitkijktoren en ik ga er met mijn rug naartoe staan. In de wijde omtrek is niets anders te zien dan maïs. ‘Nou, sterven van de honger zal ik hier in ieder geval niet,’ denk ik cynisch, en mijn ogen speuren de omgeving af, op zoek naar een aanwijzing over in welke richting ik verder moet gaan.Dan ineens valt mijn oog op een wit paaltje dat maar net boven het maïsveld uit steekt. Vlug ren ik er heen, totdat ik er recht voor sta. Op het paaltje staan pijlen, die allemaal in een bepaalde richting wijzen. Op één pijl lees ik: ‘Waar ik vind dat ik heen moet.’ De pijl wijst in de richting waar ik vandaan kwam. Op andere pijlen lees ik: ‘Waar mijn ouders/broer/zusje/vrienden/opa’s en oma’s/ ooms en tantes/ neven en nichten/buren/kerk/werkgever/collega’s/medestudenten vind(t/en) dat ik heen moet.’ Honderden pijlen wijzen in allerlei verschillende richtingen. Voor zo’n vijf minuten sta ik sprakeloos te kijken naar het witte paaltje. Even draai ik mijn hoofd om in de richting van de uitkijktoren, en dan besluit ik terug te lopen in de richting waar ik vandaan kwam en vanuit daar mijn weg te vervolgen.
Urenlang loop ik rond door het machtig grote maïsveld, zonder ook maar te weten of ik wel de goede richting uit loop. De rugzak die ik op mijn schouders draag, lijkt met de stap zwaarder te worden. Ik loop maar en loop maar, tot ik niet meer kan en neerplof op de brokkerige donkere aardegrond. “Ik kan niet meer”, fluister ik, en ik richt mijn hoofd op naar de richting van de uitkijktoren. “Ik loop hier maar wat rond, en ik heb gewoon geen idee waar ik uit moet komen en hoe ik op dat punt moet komen”. Zachtjes voel ik hem tot mij naderen. Zijn vingers sluiten om mijn hand, en hij trekt me overeind. Liefdevol tilt hij de zware rugzak van mijn schouders, en zwaait hem over de zijne. Vastberaden kiest hij een richting en samen vervolgen we mijn weg. Onderweg vertelt hij me van alles over het maïsveld waar we doorheen lopen, en hoe langer ik daar samen met hem loop, hoe duidelijker ik een stem vanuit de uitkijktoren hoor, die me vertelt welke kant ik op moet gaan. Dan ineens valt me iets op aan de grond waarop we lopen. Met een schok sta ik stil, en ik kijk hem vragend aan. Hij ziet de twijfel in mijn ogen. Waar ik eerder nog de grote planten voor mij moest wegduwen om erdoor te kunnen, lijkt er nu een pad te zijn waar we rustig over kunnen wandelen. Hij komt naast me staan en samen kijken we naar het weggetje dat voor ons ligt. “Ik ben voor je uitgegaan,” legt hij uit. “Dit is de weg die ik voor jou in gedachte had, zo kom je tot de bestemming die ik voor jou voor ogen had”. De rust in zijn ogen, maakt me van binnen rustig en vol vertrouwen. Hij heeft het beste met mij voor, en met dat in mijn achterhoofd, begin ik het kronkelige weggetje te bewandelen. En de hele weg blijft hij naast mij lopen en leert hij me dingen over alles wat ik tegenkom. Soms leidt het weggetje weer door dichtbegroeid gebied, soms komen we op plekken waar ik alleen nooit zou zijn gekomen, maar altijd blijft hij heel dicht naast mij en wijst hij mij de weg.
Abonneren op:
Berichten (Atom)